Preek 16 augustus

19 augustus 2026

Verkondiging in de Sint Jansbasiliek, 16 augustus 2026.

Twintigste zondag door het jaar[1]

 Ons evangelie suggereert dat Jezus bijna zijn land, Israël, heeft verlaten. Hij begeeft zich naar het grensgebied. Dat is heel goed voor te stellen, want wie een stukje terugleest ziet dat Hij zojuist een binnenkerkelijk twistgesprek achter de rug heeft. Met geloofsgenoten had een heftige discussie plaatsgevonden over wat nu rein was en onrein, koosjer of niet aan te raken. De joodse keuken is mooi, smakelijk, maar als gevolg van de reinheidsvoorschriften ook ingewikkeld. Daar kun je langdurig over redetwisten. Het lijkt wel of Jezus genoeg heeft van al dat binnenkerkelijk gekissebis.

Daar moeten het jodendom maar ook zeker de kerken voor waken. Je kunt, als je wilt, enorm bezig zijn met jezelf als kerk, zeker als de wind tegen zit, als je kleiner wordt. Je zou zomaar de wereld waarin je leeft kunnen vergeten en helemaal in beslag genomen worden door je eigen binnenkerkelijke zorgen.

Heeft de Heer daarvoor zijn kerk gesticht? Was Hij, zoals Hijzelf heeft gezegd, niet naar de wereld gezonden opdat die door Hem zou worden gered? Hij hield het even niet meer uit en vertrekt, zoals wij in onze zomer ook wel doen. Overigens hield ik persoonlijk het goed uit in Laren, maar ben ik toch weggewest, drie lange weken in Oost-Afrika, Ethiopië, dat onmetelijke land, waarin ik intensief mocht rondreizen onder leiding van een vriend die daar priester is en een hoge functie in de kerk bekleedt.

De katholieke kerk is Ethiopië is heel klein, zeker vergeleken met de orthodoxe christenen, de protestanten en de moslims. Maar er is iets heel bijzonders aan de hand met die kleine katholieke kerk, heb ik ontdekt. Meer dan de andere geloofsgemeenschappen is die katholieke kerk niet met zichzelf bezig. Sterker nog, zij lijkt zichzelf een beetje te verliezen. Zij sombert niet over haar geringe omvang. Integendeel, zij heeft haar binnenkerkelijk getob allang losgelaten. Zij leeft niet alleen in de sacristie, maar gaat alle grenzen over. Geen instelling is er die zoveel scholen sticht, ziekenhuizen, vakopleidingen voor jongeren, die dringend nodig zijn: 70 procent van de bevolking is onder de dertig jaar. In tegenstelling door de westerse wereld is er geen sprake van vergrijzing of van enige culturele vermoeidheid. Integendeel het is een jeugdig, vitaal, initiatiefrijk land, hoe arm een groot deel van de bevolking ook is. Zij is rijk aan plannen, hoop, geloof.

Jezus is in het grensgebied, tussen twee werelden, die van het eigen geloof en die van de Kanaänieten. Zij behoren niet tot de geloofsgemeenschap. Maar Jezus vindt er, tot zijn eigen verrassing, geloof. “O vrouw, uw geloof is groot.” In het evangelie van Mattheüs is deze vrouw, deze vreemdelinge, heidense en dus in joodse ogen onreine vrouw, de enige persoon van wie Jezus zegt dat haar geloof groot is. De vrouw is nederig, zij kent als heidense haar plaats, maar zij is moedig en zet door en blijft Jezus aanspreken en wijzen op de ellende van haar dochter en het leed van haar als moeder. Zij bezit niet alleen een grote geloof, maar ook zelfbewustzijn, durf. Zij is de woordvoerder van alle mensen die wel niet in strikte zin bij de geloofsgemeenschap horen, maar toch de hoop en het vertrouwen hebben dat Jezus en zijn kerk iets voor hun, voor de wereld, de mensen kunnen doen.

Haar geloof bestaat er niet in dat zij de hele geloofsleer en de heilige Schrift kent. Maar zij bezit ondanks haar geringe kennis iets wat de kenners van de leer wel eens te weinig bezitten: vertrouwen, aanbidding, geloof. Hoor maar wat zij zegt, zie maar wat zij doet. Zij begint met het ‘Kyrie eleison’ (zoals ook wij doen elke Mis): “Ontferm U over mij, Heer, Zoon van David.” Zij ziet in Jezus de Kyrios, de Heer. Zij geeft Hem zijn koninklijke, ja zijn goddelijke titel. En ook al wordt zij eerst als vreemdelinge, niet-gelovige, afgewezen, zij laat zich niet van de wijs brengen. “Maar zij kwam, knielde voor Hem neer…”
Zij knielt, dat doe je niet voor een mens, je knielt alleen voor God: zij bewijst Jezus goddelijke eer. Zij ziet en voelt dat in Hem God naar haar toekomt. Hier geen ingewikkelde discussies over de reinheid van de geloofsgemeenschap, geen gemillimeter over de leer, maar een groot geloof.

Het loont Jezus dat Hij de grens heeft opgezocht. Het loont een mens dat hij of zij een keer zijn comfortzone verlaat en over de grens van zijn gewone bestaan gaat, het loont de Kerk dat zij niet alleen met zichzelf, met haar geringe omvang, met haar kleine zorgen bezig is. Ik heb het in Ethiopië gezien hoe goed het de kerk doet zich te verdiepen in de noden en de zorgen van een hele samenleving. Jezus heeft zijn kerk immers niet gesticht opdat die zich zou opsluiten in haar eigen kring, maar opdat de mensen worden gered, bij God gebracht, Jezus leren kennen en zijn liefde voor de armen, zijn dienstbaarheid aan de minsten der mensen; dat haar geestelijk huis een huis van gebed wordt voor alle volken. Amen.

 

[1] Jesaja 56, 1.6-7; Romeinenbrief 11, 13-15. 29-32; Matteüs 15, 21-28

Andere berichten

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Vul onderstaand formulier in en we sturen jou de maandelijkse nieuwsbrief per mail toe!