Verkondiging in de Sint Jansbasiliek, 27/28 juni 2026
dertiende zondag door het jaar.[1]
“Al is het maar een beker koud water.”
Sommige deelnemers aan onze processie vorige zondag merkten op hoe goed en weldadig het was dat leden van de broederschap water gaven aan deelnemers die in de snikhete zon op het kerkhof waren aangekomen voor de heilige Mis, na een processie van een uur in de middaghitte.
Een beker koud water.
Dit beeld van Jezus, die opgroeide en leefde in het warme klimaat van het Midden-Oosten, spreekt ons aan in onze vroege hittegolf.
“Omdat hij mijn leerling is.”
Het is geen kleinigheid om leerling van Jezus te zijn.
“Wie u opneemt, neem Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft.”
Iemand opnemen in jouw leven, in jouw huis, in jouw dorp, stad of land.
Hem of haar water geven. Water is het leven zelf, dat ervaren wij meer dan ooit deze dagen.
Gastvrijheid. Wij horen vandaag over die wel heel royale gastvrijheid van die welgestelde vrouw, in de eerste lezing uit het tweede boek der koningen. Zij gaat een stap verder dan alleen dorst lessen. Zij biedt de profeet Elisa spontaan brood, voedsel.
Zij is welgesteld, zij heeft voldoende voedsel, zij heeft een huis en bezit geld. Maar één essentieel, menselijk verlangen is onvervuld gebleven in haar leven: een kind.
De dienaar van de profeet weet dat zij helaas geen zoon heeft en dat haar man oud is. Een groot gemis, zeker in de cultuur van die bijbelse tijden. In de beleving van deze gastvrije vrouw en haar bejaarde man is de toekomst afgesneden.
Maar haar gastvrijheid blijkt de poort naar de toekomst. Elisa, de profeet, belooft haar: “Volgend jaar om deze tijd zult gij een zoon omhelzen.”
Deze vrouw is een bijbels voorbeeld voor ons, lijkt me. Letterlijk breekt zij haar gesloten bestaan open. Zij bouwt een kamer op haar huis. Niet om zelf groter te gaan wonen, maar om ruimte te scheppen voor de gast, de man die verder ziet, voorbij het hier en nu, de profeet, die spreekt over Gods toekomst voor deze vrouw en haar man en voor heel de gemeenschap.
Jezus zegt iets dat perfect past bij de levensinstelling van deze vrouw.
“Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.” Maar wij zijn toch op de eerste plaats bezig onszelf te redden, ‘under control’ te zijn?
Je leven verliezen: jouw en mijn gesloten, in zichzelf gekeerde, perfect beveiligde en verzekerde bestaan, en de deur van ons leven openen. Dat valt niet mee. Velen en ook wij hebben het daar moeilijk mee. Dorpsgemeenschappen hebben het daar moeilijk mee en misschien ook wel onze westerse cultuur, die zich opsluit als in een vesting en slechts een heel kleine nieuwe generatie op de wereld zet.
Jezus identificeert zich met de mensen die vragen opgenomen te worden. Hij was Zelf een Man die rondtrok, zonder vaste woon- of verblijfplaats; die mensen zocht en zoekt die Hem willen opnemen in hun bestaan.
Paulus, in zijn brief aan de Romeinen, gaat nog verder.
Hij zegt: door onze doop in Christus Jezus, zijn wij met Jezus begraven, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden. De oude manier van leven, geheel gericht op zelfbehoud, op mijn kleine bestaan, is door de doop gestorven. Hij zegt: “Zo moet ook gij uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.” De zonde, dat wil zeggen: het beschadigen of zelfs verbreken van de band met God en met elkaar.
Daarvoor, zegt Paulus, leven wij nu niet meer. De dood is overwonnen.
Tenslotte nog even terug naar die welgestelde, kinderloze vrouw. Inderdaad, een jaar later is het wonder geschied. Zij heeft een zoon, die opgroeit tot een jongeman.
Maar dan slaat het noodlot toe, vertelt het vierde hoofdstuk van het tweede boek van de Koningen.
Wat er volgt is een diep aangrijpend verhaal, waarbij je het nauwelijks droog houdt. U zou het eens moeten lezen.
De jongen stort in, waarschijnlijk een hersenbloeding. Hij roep nog net: “mijn hoofd, mijn hoofd!” De jongen sterft in de armen van zijn moeder.
Zij aarzelt niet, zij rijdt op haar ezel zo snel mogelijk naar de profeet.
Zij voegt hem toe: “Mijn heer, heb ik u soms om een zoon gevraagd? Heb ik u niet gezegd: U moet mij niets voorspiegelen?”
Haar woorden moeten de profeet in het hart hebben geraakt. Hij gaat met haar mee naar haar huis, waar de levenloze jongen op bed ligt. Hij deelt in haar immense verdriet en gaat op de jongen liggen. Hij sterft zelf bijna met het kind. En haalt hem door de dood heen.
Een beproefd geloof. “Wie zijn leven verliest omdat hij of zij bij Mij hoort, zegt Jezus, zal het vinden”.
Mogen wij dat nieuwe leven vinden. Amen.
[1] 2 Koningen 4, 9-11.14-16a; Romeinenbrief 6, 3-4. 8-11; Matteüs 10, 37-42
























