Verkondiging in de Sint Jansbasiliek, 11/12 juli 2026
vijftiende zondag door het jaar.[1]
“Heel de schepping zucht en lijdt barensweeën…en ook wijzelf zuchten inwendig.”
Stevige, ware woorden van de apostel Paulus. We zuchten wat af om wat maar niet wil lukken, om wat onaf blijft.
Paulus vergelijkt het zuchten van de schepping met een vrouw die barensweeën lijdt. De pijn is enorm, maar de pijn heeft een doel: er zal een nieuw leven, een kind geboren worden. Met andere woorden: het lijden van de schepping, ons lijden heeft een doel: de verlossing van ons lichaam, een schepping die bevrijd zal worden. Het leven van ons, christenen, draagt als belangrijkste kenmerk dan ook de hoop. Het lijden is niet zinloos. Ook al horen wij dat tegenwoordig vaak: waar is dit lijden voor nodig, dit is zinloos?
En dan nog een stap verder: waarom wordt aan dit lijden geen einde gemaakt, dit heeft toch geen zin meer?
Volgens Paulus, volgens ons geloof wél dus. Wij begrijpen het niet helemaal en soms helemaal niet, maar het heeft een zin, het leidt tot iets, namelijk tot bevrijding, verlossing. Of nog eens anders gezegd: wat wij meemaken, wat mensen te lijden hebben gaat niet buiten God om. Dat is iets anders dan te zeggen dat God er de hand in heeft. Nee, het gaat niet buiten Hem om, het gaat Hem ter harte, Hij ziet het en vergeet het niet en laat het uitlopen op verlossing, bevrijding.
Dit is een gelovige overtuiging die in ons is neergelegd, door onze opvoeding, door bekering, door catechese, door de doop en het vormsel. Dat alles is als een zaadje, zegt Jezus in de gelijkenis van de zaaier, – een zaadje dat in ons is neergelegd. De grote vraagt, zegt Jezus, is of dit zaad opkomt. Ouders en grootouders zeggen mij: ‘ik heb dat zaadje van het geloof wel meegeven, meegedeeld aan het verstand en het aanvoelen van mijn kinderen. Maar zal het ooit ontkiemen?’ Zij zijn goede kinderen, zij doen wat recht en waar is, maar het geloof? Het lijkt wel of zij het niet nodig vinden of nodig hebben, dat het hen niet boeit. Maar toch, dat zaadje is geplant en ik hoop en bid dat het ook zal ontluiken en dat het hen zal helpen, kracht en vreugde geven.
Wij hoorden: “Opdat zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen.”
Het geloof is er niet om iets opgelegd te krijgen, maar opdat je een genade, een kracht ontvangt die jouw pijn, jouw lijden, jouw moeite kan genezen.
God heeft het goed voor met iedere mens, ook met de mensen die niet geloven en zich niet bekeren. Gelovigen moeten enerzijds niet neerzien op niet-gelovigen en anderzijds niet vrezen voor hun leven en toekomst. God is een God die voor allen, gelovigen en niet-gelovigen, genezing, bevrijding, verlossing wil. En Hij wacht geduldig tot wij opengaan voor Hem, zoals de zaaier, de landbouwer, nadat hij in het goede seizoen heeft gezaaid op zijn akker, geduldig wacht tot het gewas zich vertoont.
God is een geduldige God, die weet heeft van onze moeite om te groeien, tot goede ontwikkeling te komen. Hij is zo geduldig en welwillend als ouders die met hoop en beven uitzien naar de groei en bloei van hun kinderen. Je hebt met vallen en opstaan gedaan wat je kon, maar dan moet je wachten, hopen en bidden dat het goed komt. Zoals ik twee weken geleden hier in de basiliek ook zag bij het afscheid van groep acht van onze basisschool. Acht jaar hebben de leraren alles gegeven en dan moet je loslaten. Zal het in die twaalfjarige kinderen geplante zaad opgroeien, de kans krijgen?
De profeet Jesaja, in de eerste lezing, is overtuigd van wel. “Het woord keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar het (…) zal volbrengen waartoe Ik het heb gezonden.”
Laten wij die hoop en stellige verwachting tot de onze maken, leven uit de hoop, dat al ons zuchten, ons geduld en ons vertrouwen niet vergeefs zijn, maar zullen uitlopen op een oogst van verlossing, tot leven dat niet vergaat.
Amen.
pastoor Nico van der Peet
[1] Jesaja 55, 10-11; psalm 65; Romeinenbrief 8, 18-23; Matteüs 13, 1-23
























