Verkondiging in de Sint Jansbasiliek, 22/23 augustus 2026
21ste zondag door het jaar[1]
foto: Pietro Perugino, Jezus overhandigt Petrus de sleutels, Sixtijnse kapel, Vaticaan,1481-1482
De sleutels van je huis aan iemand toevertrouwen, aan de hulp, de interieurverzorgster. Het is een bijzonder moment. Jouw huissleutels uit handen geven is een gebaar van groot vertrouwen. Je geeft iemand toegang tot de kamers waarin je privé-bestaan zich afspeelt, met de vertrouwde spullen, boeken, documenten, preciosa.
Wij hoorden vandaag over Sebna, eeuwen voor Christus de overste van de tempel. Vergelijk hem met een beheerder, een koster. Dit woord komt van het Latijnse custos, wat ’beschermer, bewaarder’ betekent. Een verantwoordelijke functie. Denk maar aan de kosters van onze basiliek. Zij hebben toegang tot alle benodigde sleutels van dit heiligdom, inclusief de kluis waarin de kostbare voorwerpen voor de liturgie worden bewaard, het zilver en het goud.
Ook aan Sebna waren de sleutels toevertrouwd. Maar u hoorde het: het is goed fout gegaan. Hij moet het in hem gestelde vertrouwen hebben geschonden: “Ik, zegt de Heer, zal u van uw post verjagen en u stoten uit uw ambt.” Een ander, Eljakim, zal bekleed worden met het gewaad, de waardigheid van overste van de tempel; de sleutel van Davids huis wordt op zijn schouders gelegd. Dat is een wonderlijke uitdrukking. Zijn taak is een last, een juk. Een zware verantwoordelijkheid. Op zijn schouders: we moeten hier wel denken aan de last van het Kruis, die de nazaat van David, Jezus, op zijn schouders zal dragen, om ons bij God te brengen: de sleutel die toegang geeft tot het hemels heiligdom.
U weet het: ook de mensen van de godsdienst zijn maar mensen, in de tijd van Jesaja, Petrus en vandaag. Niet iedereen staat sterk genoeg om de weelde van het ambt te kunnen dragen.
Eljakim is dus de nieuwe man. De Heer heeft vertrouwen in hem. Het zal lang goed gaan, maar zijn zonen, die hem zullen opvolgen, gaan ook in de fout. Soms is het om moedeloos van te worden. Maar de Heer probeert het steeds opnieuw.
Ook met Petrus. U hoorde het in het evangelie. Hem vertrouwt Jezus de sleutels toe. Iemand moet de kerkgemeenschap leiden, een laatste woord spreken. De sleutels heeft Petrus bovenal ontvangen om open te doen. De kerkgemeenschap mag niet op slot. Hij ontvangt de sleutels van het koninkrijk der hemelen. De kerk is daarvan een voorbode, een voorsmaak. De kerk is niet alles, is niet het einddoel; dát is het Koninkrijk van God, maar de Kerk kan voor ons eeuwig heil ook niet gemist worden. Iemand moet de deur voor je openen. Jezus heeft het aan gewone mensen toevertrouwd. Aan de twaalf apostelen en daarbinnen heel bijzonder aan Petrus.
Waarom Petrus? Of anders gevraagd: wat heeft een mens nodig om de sleutels te mogen ontvangen?
U hoorde de ondervraging van de leerlingen. “Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?” U hoorde de antwoorden, mooie, keurige antwoorden. Dan komt de rechtstreekse vraag van Jezus aan zijn leerlingen. “Maar wie zeggen jullie dat Ik ben?” Jezus vraagt een persoonlijk antwoord. Je kunt je niet altijd achter anderen verschuilen, achter de opvattingen van de menigte. Petrus durft het aan, hij spreekt het hoge woord: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.”
Ieder van ons is geroepen deuren te open, de sleutels goed te gebruiken, niet in een laatje op te bergen, uit angst ruimtes te openen waar we geen greep meer op hebben. Dat kan ook en dat is ook gebeurd: dat Petrus en zijn opvolgers het huis van God liever stevig op slot hielden (of soms nog houden) uit angst dat mensen zich te vrij zouden gaan voelen. Nee, Jezus schuwt de vrijheid, het avontuur van de Geest níet. Hij neemt zelfs het risico dat het helemaal kan misgaan, zoals met Petrus ook is gebeurd. In het uur van de grootste crisis, de avond voor zijn lijden en dood, heeft Petrus Hem verloochend. Dat avontuur is Jezus met ons aangegaan. Als we maar onze verantwoordelijkheid weten te dragen en elkaar iets laten ervaren van het rijk van God dat komende is.
Wat Jezus van Petrus en van ons, zijn leerlingen nu, vraagt: een persoonlijke verhouding met Hem: ‘U bent voor mij de Zoon van de levende God.’
En Hij vraagt dat wij verantwoordelijkheid dragen voor zijn kerk; dat wij iets voor haar doen, ons niet verschuilen achter anderen.
Tenslotte: zoals Petrus, de belangrijkste leerlingen na zijn verloochening vergeving ontving van Jezus, zo hoeven wij niet te wanhopen aan onze kleinheid, ons tekortschieten en zelfs zondigen. God, Jezus wil steeds opnieuw met u en mij beginnen.
Zalig mogen wij zijn, mogen we ons voelen en weten, want niet vlees en bloed hebben ons dit geopenbaard, maar onze Vader die in de hemel is. Amen.
pastoor Nico van der Peet
[1] Jesaja 22, 19-23; Romeinenbrief 11, 33-36;Matteüs 16, 13-20
























