Verkondiging in de Sint Jansbasiliek
zaterdag 28 februari/zondag 1 maart 2026
Tweede zondag in de Veertigdagentijd[1].
Nadat wij vorige week met Jezus de woestijn in werden geleid, neemt Hij vandaag zijn drie meest nabije leerlingen en ook ons mee de berg op. Misschien is het vlakke landschap van de woestijn ons wel meer vertrouwd dan de beklimming van een berg.
De vele skiërs uit Het Gooi laten liever alles even los en laten zich de berg af glijden, momenten van ontspanning en loslaten van alle dagelijkse zorgen. Maar wij, parochianen van Laren, beleven dan toch in elk geval eenmaal per jaar het opgaan naar het hoogste punt in ons landschap: het Sint Janskerkhof. Dan stijgen wij in zeker op om daarboven, op die historische grond die het kerkhof is, de Heer te ontmoeten in de feestelijke eucharistie, letterlijk en figuurlijk het hoogtepunt van onze opgang, de processie. Na de eucharistieviering op het hoogste punt dalen wij, zoals de drie apostelen, de berg weer af, met Jezus in ons midden, in de gespalkte van de heilige Hostie in de monstrans. Jezus vergezelt ons weer naar het vlakke land van ons dagelijkse bestaan.
Mij treft de openingszin van ons evangelie:
“In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes mee en bracht hen op een hoge berg, waar zij alleen waren.”
In een moment van meditatie deze week probeerde ik mij te verplaatsen in de positie, de beleving, die ervaring van die drie apostelen.
Jezus neemt mij mee de berg op, waar ik geheel met Hem alleen ben.
Je zou dat kunnen vergelijken met uw, jouw, mijn gebed: alleen zijn met de Heer.
Niet in elk gebed hoeft er veel gezegd worden. Bidden is ook gewoon alleen zijn met de Heer.
Zoals dat ook kan gaan in een goede, vertrouwde vriendschap. Je hoeft niet altijd veel te praten. Je kunt ook gewoon samen zijn, in elkaars aanwezigheid. Dat kan heerlijk zijn. Maar soms kan het stille samenzijn ook pijnlijke momenten hebben, wanneer er tussen de ander en jou dingen zijn die eigenlijk gezegd zouden moeten woorden, maar die je niet durft uit te spreken.
In dat samenzijn met Jezus zien die drie een nieuwe, tot dan toe ongekende kant van Jezus. “Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd.”
Zij leren Hem geheel nieuw kennen, zij zien wie Hij is, “lumen de lumine,” zoals wij dadelijk in het Credo zullen zingen. “Licht uit licht, ware God uit de ware God,” een mens van licht, die elders ook van zichzelf zegt dat Hij het Licht van de wereld is, gekomen om de duisternis van ons bestaan te verdrijven, om het licht van de waarheid te zijn, het vriendelijke en veilige licht als een mantel om ons heen geslagen.
Losgemaakt van de sleur van alledag, alleen met Jezus, ontdekken de apostelen pas wie Hij werkelijk is. En zij horen ook een stem die zijn unieke eigenheid onthult: “Dit is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb; luistert naar Hem.”
Het is van grote betekenis dat wij altijd vier weken vóór Goede Vrijdag dit verhaal horen. Ook in de avond voor die dag van lijden neemt Jezus deze drie apostelen/vrienden met zich mee. Dan zullen zij niet getuigen zijn van het stralende licht waarin Jezus verschijnt, maar van zijn doodsangst, zijn eenzaamheid, zijn verdriet in het aangezicht van lijden en sterven. Ik zei: “dan zullen zij getuigen zijn”, maar dat is niet waar. U weet het, dan zullen zij slapen. Wel lichamelijk aanwezig naar geestelijk geheel afwezig. Zij konden dat lijden, de tranen van Jezus, niet aanzien. En in het uur dat Jezus Calvarie-berg heeft bestegen en daar zal hangen aan het kruis, zijn zij al helemaal in velden noch wegen te bekennen. Met uitzondering dan van Johannes, die er alleen volgens zijn eigen evangelie wél bij was.
Hoe ga ik om met het lijden van Jezus en meer in het algemeen met het lijden van mensen en van mijzelf, als mij dit treft?
Kan ík het aanzien of val ik in slaap, duik ik weg?
Petrus zei, toen Jezus straalde van goddelijk licht:
“Het is goed dat wij hier zijn.”
Hij wilde liever dat Jezus in dat licht bleef.
Hij wilde tenten bouwen voor Hem en voor de grote leiders van Gods volk, Mozes en Elia. Zij beiden hadden ook ooit de berg beklommen en God mogen ervaren, aanschouwen.
Petrus wil die glorie, dat licht graag vasthouden, het volle licht, de kracht van het leven. Wie niet?
Maar wij moeten de berg weer afdalen.
Alleen Jezus blijft over, nu in het gewone licht van de dag.
Gelukkig trekt Hij met zijn apostelen, met ons mee.
Wij mogen erop vertrouwen dat Hij voor ons uit gaat door de duisternis van het lijden naar het licht dat uiteindelijk de dood zal verdrijven, in de morgen van Pasen.
Amen.
pastoor Nico van der Peet
[1] Lezingen: Genesis 12, 1-4a;2 Timoteüs 1, 8b-10; Matteüs 17, 1-9























