Dit jaar zal het 140 jaar geleden zijn dat voor het eerst, met toestemming van de toenmalige aartsbisschop van Utrecht, het Allerheiligste in de jaarlijkse processie naar het Sintjanskerkhof werd meegedragen.
In oude Klepels uit 1986 zijn artikels gepubliceerd van wijlen Gabriël Smit over de oorsprong en geschiedenis van de processie.
De foto’s onderaan zijn afkomstig uit oude kwartaalberichten van de Historische Kring Laren.
Klepel 191 maart 1986
het eeuwfeest van de St. Jansprocessie
In het kader van deze gebeurtenis zal De Klepel in dit en de komende twee nummers trachten iets van de wetenswaardigheden die uit het verleden zijn opgedoken te boek te stellen.
Hiervoor zijn wij een van onze medeparochianen bijzonder dankbaar.
Aangezocht om wat orde te scheppen in oude paperassen, stuitte de “parochiële documentalist” nl. op geschriftjes en papieren, di
e de geschiedenis van “Laren—en—St . Jan” uit soms nog heel
vroege perioden naar boven brengt.
Uit de nog voor velen in het Gooi zo bekende (en geliefde) “Gooische Post”, werden in drie achtereenvolgende nummers van februari 1961, een serie artikelen aangetroffen van de hand van wijlen Gabriël Smit, onder de kop “St.Jan en het Gooi”, “oorsprong en geschiedenis”.
Met instemming van de echtgenote van de auteur zullen wij, ook in drie afleveringen, een gedeelte van elk artikel overnemen
Aflevering 1:
“Vast staat intussen, dat vóór het jaar 1306 op de hoogte tussen Hilversum en Laren een kleine kerk werd gebouwd, toegewijd aan Sint Jan. Elders in het Gooi hadden de banden met de abdij van Elten tot gevolg, dat kerken werden genoemd naar Sint Vitus, maar dit oude kerkje vormde een uitzondering op die regel. Het hoorde niet bij de parochie van Naarden, waaronder alle andere plaatsen in het Gooi toen vielen, maar de heuvel viel onder het gebied van de Lage Vuurse, dat werd bestuurd door het Sint Janskapittel van Utrecht. Vandaar de naam.
Dat zo juist het jaartal 1306 werd genoemd, heeft overigens een bijzondere reden. Het oude kerkje zal ongetwijfeld ouder zijn geweest — een deskundige als de Gooi—historicus dr. A.C.J . de Vrankrijker situeert het ontstaan omstreeks het jaar 1200 — maar uit het jaar 1306 is het oudste schriftelijke stuk bewaard gebleven, dat van een kerk melding maakt. Overigens niet zozeer van de kerk als wel van de koster: het is namelijk een rekening van baljuw Bernd van den Dorenwerde, die in december van dat jaar de koster van het Larense kerkje gevangen liet nemen, omdat hij gevochten had. De geschreven historie der oudste Gooise bedevaartplaats begint dus met een woedende koster!
De vroegste berichten over een Sint Jansviering met iets als een processie zijn eveneens afkomstig van de reeds genoemde Lambertus Hortensius. Die schreef in zijn Gooi—gedicht uit 1564 over een oud, vervallen kerkje — in het dorp Laren zelf was intussen een nieuwe kerk in gebruik genomen — dat een geliefd bedevaartsoord was. Jaarlijks op het feest van Sint Jan kwam daar een grote menigte bijeen. Het is onjuist daarbij al te denken aan een processie, zoals thans op 24 juni van het dorp uit naar het hooggelegen kerkhof trekt.
Er zal hoogstens een ommegang rond de graven zijn gehouden, zonder veel verdere uiterlijke plechtigheid, want dat was na de Hervorming trouwens niet meer mogelijk. Wel kan men — als een
stil verzet der oude, katholieke Laarders tegen de Reformatie en als het eren van een oude traditie — denken aan een opzettelijk vasthouden van een in de middeleeuwen begonnen feest.
Uit de donkere jaren der bezetting zijn ons van nabij dergelijke stil gevierde feesten van verzet nog wel bekend.
Van een Sacramentsprocessie in de tegenwoordige zin was dus nog geen sprake. Beter kan men het een bedevaart noemen,— waaraan trouwens de oude “bevertweg” nog herinnert. Deze oude
bedevaart is het begin van de huidige feestviering, een viering die op zichzelf eveneens een boeiende geschiedenis heeft .“
Gabriël Smit.
Klepel 192 april 1986
Eeuwfeest van de St. Jansprocessie
In het kader van het deze zomer te vieren eeuwfeest van de Sint Jansprocessie, publiceert De Klepel een serie van drie artikelen uit De Gooische Post anno 1961.
Ze werden in februari van dit jaar geschreven door wijlen Gabriël Smit en handelen over de oorsprong en geschiedenis van de Sint Jansdevotie te Laren.
In het vorige nummer van ons blad hebt u hierover al kunnen lezen. Het eerste artikel werd voor het grootste deel overgenomen. Het tweede volgt hier onder “in zijn geheel’
Aflevering 2
Oorsprong en geschiedenis
De oudste gegevens over een Sint Jansviering te Laren, die zich het hooggelegen kerkhof met een toen vervallen kapel tot middelpunt koos, stammen uit het midden der zestiende eeuw. Men doet verstandig het begin van deze min of meer georganiseerde bedevaarten ongeveer te laten samenvallen met het jaar waarin de eerste kerk aan de Brink gereed kwam. Een balk in het gewelf draagt een inscriptie, waaruit blijkt dat dit op de feestdag van Sint Lambertus — 17 september — van het jaar 1521 het geval was.
Sindsdien konden de Laarders geordend trekken naar de hoge bedevaartsplaats, die door zoveel vrome geslachten vóór hen geheiligd scheen. Van een processie, waarin het Allerheiligste werd meegedragen, was toen echter nog geen sprake. Men ging er stil heen, veelal met het doel om te bidden voor een goede oogst of een zekere bescherming in onrustige tijden. Een kostelijke tekening van J. Stellingwerf, die bewaard wordt in het Goois Museum, geeft duidelijk weer hoe men zich deze ‘beêvert” tegen het einde van de zeventiende eeuw moet voorstellen: tussen welige korenvelden in een zacht golvend landschap lopen stille mannen en vrouwen, het hoofd gebogen in aandachtig gebed.
Wie deze tekening bekijkt en daarbij denkt aan de huidige Sint Jansprocessie, zal zich met verwondering afvragen waarom deze zeventiende—eeuwse bedevaartgangers zo verspreid lopen,
zo weinig in een ‘gesloten” stoet.
Het antwoord is eenvoudig genoeg: na de reformatie was het openbaar, officieel houden van een echte processie uiteraard onmogelijk. Tot 1580 werd door de hervormde overheid wel het een en ander door de vingers gezien, maar daarna vonden de Staten van Holland het nodig om strenger in te grijpen. Op de 4e juni 1581 vaardigden zij een besluit uit waarin stond dat de burgemeester van Naarden de “kercke tot Sint Jan te Larum” moest laten afbreken. De stenen, die deze afbraak hem opleverden, moest hij gebruiken voor de versterking van “de Fortificatien der voorszegde Stede”, en als hij nog wat overhield, moest hij dat verkopen ten bate van de Naardense armen.
De resolutie bleef echter voorlopig liggen. Wat er precies gebeurde is niet bekend, maar niemand in het Gooi — en zeker niemand in het vrijwel geheel katholiek gebleven Laren — durfde blijkbaar de afbraak te ondernemen.
Toch was het vonnis geveld. De Staten konden niet met zich laten spotten, ook al waren de regenten van het Gooi mensen die geneigd waren soepel op te treden. Vijf jaar na het uitvaardigen van de resolutie werd er in de Statenzitting van 24 juni 1586 over geklaagd dat het besluit nog niet was uitgevoerd.
De Staten maakten er melding van “dat op het hooge van Larom in Goylandt een kercke staande is, aldaar groote superstitie (bijgeloof) alsnoch wordt gepleecht”. Behalve de kapel moest daarom ook het kerkhof verdwijnen, zodat geen bijzonder kenteken voor het houden van bijzondere plechtigheden behouden bleef.
Het was een zekere Willem Michielse uit Naarden, die het vonnis voltrok: voor 215 gulden maakte hij alles met de grond gelijk.
Maar de Laarders bleken, waar het hun Sint Jans—bedevaarten betrof, lieden van een bijzonder koppig slag.
Zij bleven het oude geloof onverzettelijk trouw en zij bleven naar het hoge kerkhof trekken. Waarschijnlijk in het jaar 1613 werd aan het Zevenend een kleine noodkerk ingericht, waar zij nagenoeg ongestoord konden samenkomen.
Gedurende die jaren was de dichter Pieter Cornelisz Hooft baljuw van het Gooi en drost van Muiden. Hij was een ruimdenkend man en liet de katholieken zoveel mogelijk met rust. Toen hij eindelijk wel moest ingrijpen, liet hij waarschijnlijk tevoren min of meer waarschuwen zodat men eventuele kostbaarheden in veiligheid kon brengen zodat hij “ten huijsse van Thijmen de Saaijer, priester” niets anders vond dan “een altaar ende eenich slecht (eenvoudig) mis segetuijgh, met eenighe oude schilderijen van kleine waarde”.
Het rapport aan de Staten, waarin hij dit mededeelde, vermeldt ook dat hij alles liet sluiten met “seeghels van den schout”, dat was op de 6e juli 1644.
Ook uit 1649, 1651 en 1653 zijn dergelijke rapporten bekend.
Maar de jaarlijkse tochten naar het Sint Janskerkhof bleven zonder meer voortduren. De stille bedevaart begon daarenboven steeds meer belangstelling te trekken, eerst uit het gehele Gooi,
daarna ook uit Amsterdam.
Uit 1773 is een eenvoudige brief van een Larense pastoor bekend, waaruit blijkt dat er op het kerkhof eveneens een predikatie werd gehouden, een eer die de Gooise pastoors om beurten toeviel.
Maar van bijzondere luister bij deze plechtigheid was nog geen sprake.
Daaraan kon pas gedacht worden toen de vrijheid van godsdienst in ons land was hersteld. Toen werd ook — met een breve van paus Pius VII, gedateerd 1 october 1805, de Sint Jans—broederschap opgericht, die op 9 juni 1806 haar heilzaam werk begon.
Gabriël Smit
Klepel 193 mei 1986
Hieronder volgt de derde en laatste aflevering van de artikelenreeks van wijlen Gabriël Smit, gepubliceerd in “De Gooische Post” in februari 1961 onder de titel: “St.Jan en het Gooi”.
Aflevering 3:
De St. jans-Broederschap
Op 9 juni 1806 trad de Sint Jans—Broederschap te Laren in werking. Zij was bestemd voor de gelovigen uit Laren en de plaatsen in de omtrek; ook voor katholieken uit Amsterdam, die uit bijzondere devotie tot Sint Jan de hem toegewijde Larense kerk gingen bezoeken.
Er werd een keurig ledenregister aan gelegd, waarin dit eerste jaar al dadelijk 218 namen konden worden geschreven. Ook waren er in 1806 twee broedermeesters, dragers van authentieke Larense namen: Lambertus Lambertze Majoor en Joannes Cornelisse van den Brink.
Het is deze Broederschap geweest, die er in de loop der jaren voor heeft gezorgd dat de Sint Jansprocessie kon uitgroeien tot het indrukwekkende feest dat zij allengs geworden is.
Aanvankelijk was dat bepaald niet eenvoudig, want al was het trekken wettelijk niet verboden, in de praktijk kwam daar nog niet veel van terecht.
Hardnekkig is de overlevering volgens welke de bedevaartgangers in het begin van de vorige eeuw nog vaak werden lastiggevallen, zodat velen er de voorkeur aan gaven ‘s morgens vroeg of ‘s avonds laat te trekken. Dat ook ‘s nachts getrokken zou zijn, schijnt een al te romantische, want nergens uitdrukkelijk bewezen overlevering.
Vooral burgemeester Jan van den Brink Tzn, een neef van de reeds genoemde broedermeester heeft veel voor de processie gedaan. Hij was een echte Laarder, een man die veel van zijn geboortedorp hield en er ononderbroken voor in touw was. Dat de bedevaartgangers nog zo vaak gehinderd werden, was hem een doorn in het oog en nadat een beschikking van de Minister van Justitie dd. 25 april 1822 het houden van een openbare bedetocht had toegestaan, heeft hij alles gedaan wat in zijn vermogen was om de ordeverstoringen te voorkomen . Dat dit hem tenslotte lukte bewijzen de woorden, waarmee in het archiefboek van de Larense parochie zijn dood in 1862 werd herdacht: ‘Aan zijn invloed is het te danken dat de processie op St.Jansdag nu niet meer des nachts gelijk ten tijde van onrust enz. maar op den dag wordt gehouden”.
Al in 1809 had de Broederschap een boekje met speciale gebeden uitgegeven.
Ook verder trad zij leidend en organiserend op, zodat de aanvankelijk tamelijk geiinproviseerde en individuele bedetochten langzamerhand meer en meer begonnen te gelijken op wat een processie is. Er werd gewerkt aan de verfraaiing van hetgeen de liturgische uitrusting van de processie kan worden genoemd en het aantal deelnemers groeide gestaag. Jammer genoeg ging de samenwerking met de Amsterdammers verloren. Tot in het midden van de vorige eeuw was het gewoonte, dat de avond vóór Sint Jan een groep Amsterdamse bedevaartgangers — honderd tot tweehonderd — lopend in Laren aankwam.
Maar de Amsterdamse en Larense broedermeesters werden het op steeds meer punten met elkaar oneens en het officiële contact werd helaas verbroken.
Hetgeen gelukkig niet wegnam dat de Laarders hun feest met steeds meer luister begonnen te vieren.
Het jaar 1886 is in dit opzicht een buitengewoon belangrijk jaar geweest Het Sint Jansfeest viel toen samen met het feest van Sacramentsdag. Men richtte daarom tot de toenmalige aartsbisschop van Utrecht, mgr. Snickers, het verzoek het Allerheiligste in de jaarlijkse processie naar het Sint Janskerkhof te mogen meedragen. Dit verzoek werd toegestaan en de Laarders togen enthousiast aan het werk om er een groots feest van te maken.
De weg, waarlangs de processie trekken zou, werd versierd; er kwamen erepoorten, feestelijke slingers, kleurrijke vlaggen, sierlijke wimpels.
De Sint Jans—broederschap weerde zich geducht bij de voorbereiding en de Organisatie van de plechtigheden en het resultaat was een zo voortreffelijk geslaagd feest, dat men besloot het in het
vervolg ieder jaar op dezelfde manier te vieren. Met andere woorden: al kan de Larense Sint Jansprocessie zich gerechtvaardigd weten door een religieuze traditie, waarvan het begin min of meer reikt tot aan het begin onzer jaartelling, de vorm waarin zij thans voortleeft kreeg zijn eerste gestalte in het jaar 1886.
Die eerste gestalte was, vergeleken bij die van thans, bijzonder eenvoudig.
Bijvoorbeeld: er waren slechts vier bruidjes, gekleed in smetteloos wit.
Maar de gewone Laarders waren toch te arm om die witte jurken zelf te betalen en daarom werden ze aangeschaft door het kerkbestuur. De vier maagdekens, die de eer hadden deze sneeuwwitte jurken te mogen dragen, werden door het lot aangewezen. De ‘pastoors meid” droeg de verantwoordelijkheid voor deze blanke uitrusting, totdat de zusters die taak kregen toebedeeld.
Wie de uitgebreide stoet bruidjes ziet die tegenwoordig in de processie meetrekt, krijgt een duidelijk beeld van wat er veranderde en groeide.
De toeneming der verkeersmiddelen droeg daar ook het hare toe bij.
De eenvoudige processie die een kleine eeuw geleden door de golvende, glanzende korenvelden trok — mannen in het zwart, vrouwen met kostelijke mutsen — werd een lange, drukke optocht met
muziek en vaandels van een gemoderniseerd dorp uit, langs riante villa’s, naar een pittoresk kerkhof. Het dorpsfeest van de Laarders werd een feest voor het hele Gooi, — soms kan het zelfs schijnen of het haast een attractie voor de toeristen werd.
Maar hoe alles ook veranderde: het bleef dezelfde processie, en dezelfde gebeden stijgen uit de rijen der trekkers op. De broedermeesters met hun zijden sjerpen dragen veelal nog dezelfde oude Larense namen en het is mede de oude Sint—Jansbroederschap die het dorp in feesttooi steekt. En Sint Jan wordt geëerd met hetzelfde wonderlijke, oude Sint Janslied, dat door allen wordt gezongen als de processie weer op haar uitgangspunt, de basiliek in het hart van het dorp, dankbaar is teruggekeerd.
Gabriël Smit























