Verkondiging in de Sint Jansbasiliek, Laren
derde zondag van de Veertigdagentijd
7/8 maart 2026[1]
“Is de Heer nu bij ons of niet?”
Op feestjes en partijen krijg ik, de priesterbroer, -neef of bekende die vraag nog al eens op me afgevuurd. ‘Is God er wel voor de mensen, voor de wereld, wanneer je tot je laat doordringen wat er allemaal in de wereld gebeurt.’
“Is de Heer nu bij ons of niet?”
Deze vraag staat – u hoorde het – in het boek Exodus, in onze eerste lezing.
Het volk is begonnen aan zijn tocht door de woestijn. Zij hebben de belofte ontvangen: je zult het goede, veelbelovende land binnengaan, een bestaan in vrede, melk en honing, overvloed. De mensen hebben zich laten meevoeren, maar al wat zij vinden is een hete woestijn zonder water. Ze dreigen hun leider, Mozes, te stenigen. Zo gaat dat met leiders: wanneer het volk niet op korte termijn krijgt waarvoor die leider is gekozen, laten zij hem bij de volgende verkiezingen als een baksteen vallen. Of ze gaan met stenen gooien. Maar Mozes brengt het er levend af. Vol vertrouwen slaat hij op de rots, de Horeb, de Sinaï: er stroomt water uit. Later zal er geen water uitstromen om de dorst van je tong en je lichaam te leseen, maar het water van de wet van de Heer, het woord dat jou en een heel volk richting geeft, een verhaal waaraan je je kunt toevertrouwen. ‘Helder water is zijn woord,’ lezen we ergens in een psalm, ‘hart-verkwikkend.’
In de woestijn, in de leegte die het bestaan soms kan zijn hebben wij woorden nodig, een verhaal, een gesprek. Waar het gesprek verstomt is er alleen nog maar geweld, stenen, kogels, drones , gestuurd van achter een scherm door een man meestal in een wit overhemd, die onaangedaan toekijkt waar die inslaat, niet beseffend of niet bereid zich te realiseren dat kinderen ook worden getroffen, vrouwen en mannen die werken voor hun gezin, een maaltijd bereidend. Er wordt ook wel gesproken over een schone oorlog. Tja de handen van die man achter het scherm blijven zonder bloed, maar op de grond sterven de ontelbaren. Er lijkt zelfs geen verlangen meer te zijn naar een oplossing. De vijand moet worden uitgeschakeld, hoeveel onschuldig bloed van tallozen dat ook kost. De humaniteit gaat ten onder.
Dadelijk, tijdens de voorbeden, wordt het gebed van paus Leo gezegd, dat hij deze week aan alle parochies heeft laten sturen. In dat gebed wordt van God afgesmeekt dat de oorlogvoerende partijen, met hun schaamteloos machtsvertoon ten koste van ontelbaar veel kwetsbare mensen die op de vlucht moeten slaan, al wat hen dierbaar is achterlatend, – dat die partijen met elkaar gaan onderhandelen. Dat praten is natuurlijk niet erg stoer, levert geen spectaculaire beelden op; praten, onderhandelen kost tijd, is stroperig. Maar dat maakt ons nu juist tot mensen.
Geen daden maar woorden. Geen meedogenloze daden maar humane woorden die kunnen leiden tot een vergelijk.
Mensen hebben het talent om zoals Mozes geduldig te slaan op de rots, de harde ogenschijnlijk onwrikbare realiteit, totdat er eindelijk water uit stroomt. Klare taal, helder water dat onze dorst naar leven en vrede kan lessen.
Ook in het lange evangelie gaat het over water. Jezus rust tijdens zijn lange tocht uit bij de bron van voorvader Jakob. Levend water zoekt Hij, het heldere water van het woord, het gesprek, het totaal onmogelijke gesprek met een vijfmaal gescheiden vrouw, die nu leeft met een man die de hare niet is. Juist met die vrouw, die dorst naar water, naar leven, spreekt Hij. De apostelen vinden het niet goed dat Jezus met haar spreekt. Anders dan zijn apostelen oordeelt Jezus niet. Wie begint te oordelen beëindigt elk gesprek en gaat misschien over tot geweld, wat toen wel gebeurde: de steniging van verworpen vrouwen. Jezus doet het tegenovergestelde: Hij ziet met de vrouw haar verleden, haar mislukte relaties, haar in scherven liggend bestaan onder ogen. Evenals Jezus zelf heeft zij dorst, een diep liggende dorst naar leven. Door zijn aandacht, zijn bereidheid tot gesprek, zijn afzien van enig oordeel, voert Hij de vrouw naar de bron van leven.
Voor christenen, voor ons is die bron van levend water aangeboord bij ons doopsel. De kerk leest dit evangelie enkele weken voor pasen, om de doopleerlingen voor te bereiden op hun doop in de paasnacht en om ons allen die al gedoopt te zijn, aan te sporen ons doopsel en ons geloof weer extra te gaan beleven.
Wij hoorden: “de vrouw liet haar waterkruik achter.”
Ze heeft die niet meer nodig. Zij heeft de enige bron van levend water gevonden en zij kan niet meer zwijgen: “Kom, zie een mens, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb.” Zij heeft Jezus gevonden. Deze vrouw die haar leven in duigen gevallen zag: vijf mannen, de zesde is haar man niet, de zevende die zij ontmoet is dé Bruidegom. Zij heeft nieuw leven gevonden bij Hem, en haar stadgenoten stemmen in: “Hij is waarlijk de Redder van de wereld.”
Mogen ook wij in deze weken Christus weer vinden, met Hem spreken tot zijn en onze Vader en moge de wereld door zijn lijden, dood en verrijzenis redding vinden. Amen.
pastoor Nico van der Peet
[1] Exodus 17, 3-7; psalm 95; Romeinenbrief 5, 1-2. 5-8; Johannes 4, 5-42























